De werknemer kan een arbeidsovereenkomst opzeggen, zowel mondeling als schriftelijk. De opzegging dient de werkgever te bereiken en de medewerker dient de opzegging in beginsel niet aan bepaalde voorwaarden te verbinden. Bij opzegging heeft een werknemer geen ontslagvergunning nodig, zoals dat vaak wel voor een werkgever geldt. Bovendien zijn de opzeggingsverboden niet geschreven voor medewerkers die hun arbeidsovereenkomst opzeggen. Onderstaande is niet van toepassing in geval van opzegging gedurende de proeftijd en wanneer de medewerker ontslag op staande voet neemt. Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan ook eindigen door het verstrijken van de tijd waarvoor het contract is aangegaan.

Bij de opzegging zijn de volgende tijdstippen van belang: De dag waarop de werknemer opzegt, waarmee de opzeggingstermijn begint te lopen, de laatste dag van de opzeggingstermijn en de dag waartegen de medewerker mag opzeggen. Dat is de dag waarop de arbeidsovereenkomst eindigt (laatste werkdag). Deze dag kan samenvallen met de laatste dag van de opzegtermijn, maar kan ook op een later tijdstip vallen.

Opzegtermijn

De werknemer houdt een opzegtermijn in acht van 1 maand. De arbeidsovereenkomst kan bepalen dat de opzeggingstermijn die de werknemer moet naleven korter of langer is, echter niet meer dan 6 maanden.

Na de berekening van de opzeggingstermijn kan bepaald worden wat de laatste dag van de opzeggingstermijn is. Dat is de dag waarop de opzeggingstermijn eindigt, te rekenen vanaf het moment van opzegging. In de zeer uitzonderlijke situatie dat de arbeidsovereenkomst nog niet is aangevangen voor de opzegging, begint de opzeggingstermijn pas te lopen vanaf de aanvang van de arbeidsovereenkomst.

De dag waartegen opgezegd mag worden is vaak niet de laatste dag van de opzeggingstermijn. De wet schrijft namelijk voor dat er tegen de laatste dag van de maand opgezegd moet worden, binnen welke maand de opzeggingstermijn eindigt. Het is mogelijk dat de schriftelijke arbeidsovereenkomst of cao bepaalt dat er tegen een andere dag opgezegd moet worden. Doorgaans vindt opzegging plaats tegen de laatste dag van de maand.

Voorbeeld. Een werknemer zegt de arbeidsovereenkomst op, waarbij hij een opzeggingstermijn van één maand in acht neemt. De opzegging vindt plaats op 14 maart en de arbeidsovereenkomst eindigt op 30 april, dat is de dag waartegen de medewerker de overeenkomst mag opzeggen. De dag waartegen de werkgever mag opzeggen is in dit geval de laatste dag van de maand, dus 30 april.