Huwelijksgoederengemeenshap

Als u in gemeenschap van goederen getrouwd bent, heeft u in principe beiden recht op de helft van het vermogen na de scheiding. Het vermogen omvat alles wat u in eigendom heeft, dus ook de schulden. In de scheidingsstukken wordt in het convenant een verdeling van uw gezamenlijke eigendom gemaakt, dus naast de boedel ook het vermogen en eventuele schulden.

Als u bij het sluiten van het huwelijk geen huwelijkse voorwaarden bij een notaris heeft laten opstellen, dan bent u getrouwd in gemeenschap van goederen. Dit houdt in dat alle bezittingen, maar ook alle schulden gemeenschappelijk zijn. Dit betekent dat u bij een echtscheiding alle spullen in principe 50/50 moet verdelen. Een aantal spullen of vermogensbestanddelen blijven buiten de gemeenschap en hoeven dus niet verdeeld te worden:

Wat valt buiten de verdeling bij gemeenschap van goederen?

Niet alles komt voor verdeling in aanmerking omdat sommige persoonlijke zaken buiten de gemeenschap van goederen vallen. Het betreft daarmee het privévermogen van ieder.
Bijvoorbeeld:

  • Persoonlijk ‘verknochte’ zaken, zoals kleding, studieboeken, sieraden
  • Uitkeringen ten gevolge van letselschade (het immateriële deel)
  • Notariële schenkingen onder uitsluiting van de andere partner (de ‘koude’ kant)
  • Erfenissen ontvangen via een notarieel opgesteld testament, onder uitsluiting van de ander\

Een erfenis met uitsluitingsclausule

Als u een erfenis ontvangt en de overledene heeft bepaald dat de goederen uitsluitend voor u bestemd zijn (uitsluitingsclausule) dan vallen die goederen buiten de gemeenschap van goederen.

Een voorbeeld.
Monique en Jan zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. Als de ouders van Monique overlijden, erft zij een kostbaar schilderij. In het testament van haar ouders is bepaald dat de uitsluitingsclausule hierop van toepassing is. Dit schilderij valt dus niet in de gemeenschap van goederen en wordt geen gemeenschappelijk bezit. Bij een eventuele scheiding kan Jan geen aanspraak maken op dit schilderij.

Verknochte goederen en schulden

Deze bijzonder goederen en schulden vallen ook buiten de gemeenschap. Verknochte goederen en schulden zijn goederen en schulden die op bijzondere wijze zijn verbonden aan u of aan uw partner. De Hoge Raad, het hoogste rechterlijk instantie in Nederland, heeft strenge eisen gesteld aan de voorwaarden voor verknochtheid. Hiermee wil de Hoge Raad voorkomen dat mensen zich, met name bij een scheiding, simpelweg op het standpunt stellend dat (bijna) alle bezittingen verkocht zijn. Volgens de rechter is een ontslagvergoeding bijvoorbeeld niet verknocht, maar een invaliditeitspensioen meestal wel. Ook wordt smartengeld ten gevolge van een ongeval meestal gezien als verknocht aan de persoon die het ontvangen heeft. Niet alle bezittingen horen bij de gemeenschap van goederen. Er is nog een andere uitzondering:

Als jij of je partner iets erft, kan de erflater (degene die overleden is) hebben bepaald dat die erfenis echt voor één van jullie beiden is. Dit betekent dus dat deze erfenis buiten de gemeenschap van goederen valt. De erflater moet dit wel vastleggen in een uitsluitingsclausule in zijn of haar testament. Als dit niet is vastgelegd, valt de erfenis wel binnen de gemeenschap van goederen.

Ook schulden verdelen wanneer u gaat scheiden bij gemeenschap van goederen

Ook schulden kunt u in principe tussen u beiden verdelen, tijdens de scheiding. In het echtscheidingsconvenant kunt u daarover geldige afspraken laten vastleggen. Alleen moet u rekening houden dat schuldeisers niet gebonden zijn aan deze verdeling. Als een van u beiden de verplichtingen jegens de schuldeisers niet nakomt, dan kan ook na de scheiding de ander nog steeds hoofdelijk worden aangesproken. Vervolgens kan dit weer tot verhaal strekken ten laste van de andere partner. Voorbeeld: uw partner neemt het doorlopend krediet over. Als uw ex vervolgens na de echtscheiding schuldsanering aanvraagt, kan het zijn dat u alsnog de schuld van uw partner moet aflossen.

Niet aansprakelijk voor nieuwe schulden

Vanaf de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank, bent u over en weer niet meer aansprakelijk voor nieuwe schulden die worden aangegaan. Deze regeling is ook ten aanzien van anderen geldig, als dit feit wordt ingeschreven in het huwelijksgoederen register, of als de echtscheiding wordt ingeschreven in het huwelijksregister.

Huwelijkse voorwaarden en Verrekenbedingen

Op 1 september 2002 is de wet Regels Verrekenbedingen in werking getreden. De wetgever is al enige tijd doende het huwelijksvermogensrecht te moderniseren. De nieuwe wet regelt het periodiek verrekenbeding en het finaal verrekenbeding. Deze bedingen komen veelvuldig voor in aktes huwelijksvoorwaarden.

Bij een periodiek verrekenbeding (ook wel genoemd: Amsterdams Verrekenbeding) sluiten echtgenoten iedere gemeenschap van goederen uit en komen zij overeen de bespaarde inkomsten (meestal het inkomen dat resteert na aftrek van de kosten huishouding) na afloop van elk jaar te delen, ook wel genoemd: de onverteerde inkomsten.

Het finaal verrekenbeding houdt in dat een eenmalige verrekening plaatsvindt bij het einde van het huwelijk, waarbij partijen afrekenen alsof zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Daar de afwikkeling van een finaal verrekenbeding veelal tot minder problemen leidt wordt in het hiernavolgende aandacht besteed aan het periodiek verrekenbeding bij echtscheiding.

Mede omdat er de laatste tijd een grote stroom aan jurisprudentie is verschenen over de uitleg van de periodieke verrekenbedingen bestond er grote onduidelijkheid over de uitleg van die bedingen, zeker wanneer een dergelijk beding niet was nageleefd tijdens het huwelijk. De nieuwe wet is dus voor een groot deel codificatie van jurisprudentie. De regeling is te vinden in de artikelen 132 t/m 143 in boek 1 BW. De wetgever heeft niet beoogd alles in detail te regelen omdat men er vanuit gaat dat in de notariële praktijk partijen worden geadviseerd en daar waar mogelijk afwijkende detailafspraken kunnen worden gemaakt. De wettelijke regeling maakt contractuele afwijking daarvan mogelijk (zgn. regelend recht). Enkele bepalingen zijn echter van dwingend recht zoals bijvoorbeeld het recht om aan elkaar jaarlijks een schriftelijke opgave te verzoeken van de onverteerde inkomsten, de bevoegdheid om een betalingsregeling te verzoeken en alsmede de verjaringstermijn.

Wat is een periodiek verrekenbeding?

Zoals hiervoor aangegeven, houdt een periodiek verrekenbeding in dat alle onverteerde, beter gezegd; overgespaarde, inkomsten tijdens het huwelijk of relatie bij helfte jaarlijks worden verrekend. Hiervan is uitgezonderd hetgeen een verkregen schenking of erfenis. De wetgever heeft het begrip inkomen niet verder gedefinieerd. Wat het inkomen precies omvat moet dus volgen uit de omschrijving in de huwelijksvoorwaarden.

Beleggingsleer

Indien partijen nalaten tijdens het huwelijk jaarlijks tot verrekening over te gaan, blijft het recht op verrekening bestaan aan het einde van het huwelijk. Deze verrekening “strekt zich dan uit over het saldo ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan” (artikel 141 lid 1). Hiermee is de beleggingsleer die eerder in een arrest door de Hoge Raad was vastgelegd in de wet opgenomen.

Evenredigheidsleer

In artikel 136 lid 1 is de evenredigheidsleer gecodificeerd. Indien een goed (b.v. een woning) tijdens een huwelijk is verkregen deels met privé-geld (erfenis) en deels met het saldo van onverteerde inkomsten, dan wordt bij het einde van het huwelijk naar evenredigheid verrekend; met andere woorden; er wordt gekeken wat uit de onverteerde inkomsten is besteed en wat uit privé en in die verhouding wordt de waarde bij einde huwelijk uiteindelijk verrekend.

Overigens geldt hetzelfde indien een deel van de woning niet is betaald met onverteerde inkomsten, maar daarvoor in de plaats een financiering is aangegaan (hypotheek). Indien op de hypotheek is afgelost met inkomen geldt dezelfde verrekening op basis van evenredigheid.

De ondernemer

De wetgever heeft tevens rekening gehouden met de bijzondere positie van de ondernemer. In artikel 141 lid 4 en 5 zijn hierover bepalingen opgenomen. In lid 4 wordt bepaald dat ingeval een echtgenoot die in overwegende mate bij machte is te bepalen wat er gebeurt met de winsten in een niet op zijn naam uitgeoefende onderneming (DGA) deze niet uitgekeerde winsten “voor zover in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd” eveneens in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de verrekenplicht van die echtgenoot. De DGA die jaarlijks zijn winst toevoegt aan het eigen vermogen heeft dus een verrekenplicht voor zover er sprake is van een uitkeerbare winst. In ieder individueel geval zal moeten worden beoordeeld of een winst al dan niet uitkeerbaar is. Dezelfde regeling is van toepassing indien een onderneming op eigen naam wordt uitgeoefend (lid 5).

Verjaring

De wet heeft nu ook duidelijkheid gegeven over de verjaring. Het recht op verrekening blijft bestaan binnen drie jaar ná einde van het huwelijk. Einde van het huwelijk betekent volgens deze regeling het tijdstip waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend.

Vervalbeding

De verjaring dient te worden onderscheiden van het vervalbeding. Het staat partijen vrij in het kader van de contractvrijheid een vervalbeding op te nemen. Dit is nog steeds mogelijk. Op grond van jurisprudentie echter is het hoogst onwaarschijnlijk dat een beroep op het vervalbeding wordt aanvaard.

De Hoge Raad heeft in eerdere uitspraken bepaald dat een beroep op het beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar wordt geacht tenzij er bijzondere omstandigheden worden gesteld en bewezen door de verrekenplichtige.

Conclusie

Met de nieuwe wetgeving is er enige duidelijkheid gebracht in de problematiek rond de periodieke verrekenbedingen zoals deze was ontstaan door een grote stroom jurisprudentie van de laatste jaren. Toch zullen er nog steeds vragen blijven bestaan zoals:

Wanneer is sprake van een uitkeerbare winst, met andere woorden, wat mag een ondernemer in redelijkheid reserveren? Welke waarderingsmethodes dienen dan te worden gebruikt?

Advies van een deskundige advocaat zal voor met name de ondernemer die gaat scheiden en die een verrekenbeding is overeengekomen onontbeerlijk zijn.

Pensioen en pensioenverevening

Het pensioen valt ook buiten de gemeenschap van goederen. Toch moet bij echtscheiding wel een bepaalde verdeling van pensioenrechten plaatsvinden.
Uitgangspunt bij de verdeling van alle bezittingen (en schulden) is dus dat elke partner recht heeft op de helft. Maar dit is niet altijd even eenvoudig. Denkt u bijvoorbeeld aan een huis of een onderneming. Vaak zal de rechter bepalen dat een van beide partners het huis of de onderneming krijgt toegewezen waarbij de andere partner genoegen moet nemen met de helft van de waarde in geld.

Vanaf l mei l995 wordt bij een echtscheiding of een scheiding van tafel en bed het ouderdomspensioen verdeeld, dat tijdens het huwelijk door beide ex-partners is opgebouwd(Wet verevening pensioenrechten bij scheiding). Deze verdeling van het ouderdomspensioen staat los van de alimentatieverplichtingen. Alimentatie heeft te maken met de behoefte van de ene en de draagkracht van de andere ex-partner.
Pensioenverdeling is er, omdat het pensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd, het resultaat is van de inspanning van beide ex-partners en het pensioen is bedoeld voor beide ex-partners. De rechter hoeft over die verdeling van het ouderdomspensioen dan ook geen beslissing te nemen. De ex-partners bepalen zelf op welke manier het huwelijksouderdomspensioen wordt verdeeld.

Standaardverdeling van ouderdomspensioen

Als de ex-partners niets over de verdeling afspreken, krijgt ieder (te zijner tijd) de helft van het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd, uitbetaald door de pensioenuitvoerder. Dit is de standaardverdeling. Ex-partners kunnen echter ook een andere verdeling afspreken. Om rechtstreeks te kunnen uitbetalen aan beide ex-partners, moet de pensioenuitvoerder van uw scheiding op de hoogte zijn. U stelt de pensioenuitvoerder op de hoogte door binnen twee jaar na de scheiding het formulier ‘Mededeling van scheiding in verband met de verdeling van ouderdomspensioen’ naar de pensioenuitvoerder op te sturen.

In het formulier moet worden aangegeven op welke manier de ex-partners het huwelijksouderdomspensioen willen verdelen. Indien ex-partners kiezen voor een andere verdeling dan de standaardverdeling kiezen(bijv. 30% verdelen), moet die andere afspraak zijn vastgelegd in een scheidingsconvenant en moet het formulier door beide ex-partners worden ondertekend. Ons kantoor beschikt over deze formulieren.

Partnerpensioen, bijzonder nabestaandenpensioen

In de meeste pensioenregelingen is er naast een aanspraak op ouderdomspensioen ook een aanspraak op partnerpensioen (het nabestaandenpensioen) voor de partner die het ouderdomspensioen niet zelf opbouwt of heeft opgebouwd. Het nabestaandenpensioen is een uitkering die de ene partner kan krijgen, als de ander (die het ouderdomspensioen heeft opgebouwd) overlijdt.

Bij echtscheiding wordt het partnerpensioen (=bijzonder nabestaandenpensioen) niet verdeeld. Als de ex-partner die alimentatie betaalt overlijdt, stopt de alimentatie. Ook de aanspraak van de andere ex-partner op het deel van het ouderdomspensioen dat de overledene heeft opgebouwd, vervalt. Hiervoor kan dan het partnerpensioen (=bijzonder nabestaandenpensioen) in de plaats komen.

Bij scheiding van tafelen bed wordt alleen de opbouw van het huwelijksouderdomspensioen beëindigd. Pas bij de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafelen bed, wordt het nabestaandenpensioen teruggebracht tot het bijzonder nabestaandenpensioen.) Of er voor uw ex-partner of u recht is op bijzonder nabestaandenpensioen kunt u navragen bij de instantie die de pensioenregeling uitvoert of de werkgever van de ex-partner die het ouderdomspensioen opbouwt of heeft opgebouwd.

Verjaring van de aanspraak

Regelmatig worden bij een echtscheiding geen (schriftelijke) afspraken gemaakt over verdeling ouderdomspensioen of is het echtscheidingsconvenant niet helder over de vraag of partijen wel afspraken maken over verdeling vermogen, maar onduidelijk is of pensioenverevening daar onder valt.
De vraag is of de dat vele (tientallen) jaren na de scheiding nog aanspraak gemaakt kan worden op het zogenaamde vererveningsdeel van de ex-echtgen(o)ot(e). In het algemeen zal deze aanspraak niet snel verjaren.

Voorbeelden van uitspraken zijn:

  • Rechtbank Rotterdam 6 maart 2013: Na echtscheiding kan aanspraak gemaakt worden op verdeling van de pensioenrechten van de ex-echtgenoot. Deze aanspraak is niet onderhevig aan verjaring op grond van artikel 3:178 BW. Wél kunnen er andere redenen zijn waarom geen aanspraak meer gemaakt kan worden op de verdeling van het pensioen indien deze wordt beheerst door het arrest Boon – van Loon. In het onderhavige geval wordt rechtsverwerking aangenomen door de rechtbank.
  • Uit een recente uitspraak van het hof te Leeuwarden op 23 juli 2013 blijkt dat een beroep van de man op rechtswerking, verjaring of afstand doen niet slaagt. De vrouw betoogde in haar grieven tegen het vonnis van de rechtbank, dat er geen sprake van rechtsverwerking kon zijn. Het hof gaf haar daarin gelijk. Het hof stelt voorop dat “van rechtsverwerking slechts sprake is wanneer de gerechtigde zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht onverenigbaar is (vgl. HR 7 juni 1991, LJN : ZC0271). Enkel tijdsverloop of enkel stilzitten is daartoe onvoldoende.